Deze herbestemming van een kapel tot een wooneenheid voor twee personen vertrekt vanuit rust, abstractie en respect voor de bestaande architectuur. De woonfuncties worden georganiseerd als sobere, autonome volumes binnen de open ruimte, zonder de oorspronkelijke ruimtelijkheid aan te tasten.
Door een consequente reductie in vorm, materiaal en kleur ontstaat een heldere ordening die stilte en samenhang benadrukt. Licht en proportie spelen een cruciale rol in de beleving van de kapel als serene woonplek, waar oud en nieuw in een zorgvuldig evenwicht samenkomen en wonen wordt herleid tot zijn essentie.